Boek

DE WEG NAAR ERZHEY

De Weg naar Erzhey, voorinschrijving

'Het is bijzonder dat ik juist jou ontmoet hier in deze trein. Jij, die na zoveel jaren, teruggaat naar vroeger om voor je moeder te zorgen. Weet je, ik ben ook eens teruggekeerd naar een geliefde, mijn ex-vriendin, die inmiddels allang voor de tweede keer mijn ex is. Die eerste keer had ik eenvoudig weg kunnen blijven, omdat niets, behalve een samenzijn van een viertal jaren vol ups en downs, mij met haar verenigde. Toen ik haar ruim een jaar later voor de tweede keer verliet, hadden we samen een zoon, die ons tot op de dag van vandaag met elkaar verbindt. Jarenlang heb ik de afwezigheid van mijn zoon in mijn leven naar het in een dikke laag beton gegoten binnenste van mijn ziel verbannen, totdat het sluimerende gemis in alle hevigheid door de ontstane kieren en barsten drong. Simpelweg teruggaan om mijn plaats in zijn leven op te eisen kan niet meer, daarom zoek ik mijn antwoorden op wegen naar onbekende oorden’, verklaart de hoofdpersoon zijn aanwezigheid in de trein naar Moskou in het eerste hoofdstuk aan zijn medereiziger, een Tsjetsjeen, die vanuit Duitsland op weg is naar zijn huis in Grozny.

Zijn prestigieuze en goedbetaalde baan, waarvoor hij een volkomen desinteresse heeft, biedt hem weliswaar de gelegenheid als een goddeloos heerschap te leven, maar de geneugten van lichtzinnige schoonheid worden alsmaar meer overwoekerd door gevoelens van onvrede, woede en verdriet. Hij besluit te vertrekken naar Moskou, met het excuus daar Russisch te willen studeren aan de universiteit, in werkelijkheid vooral om zichzelf te herontdekken. Geen eenvoudige opgave, zo blijkt al snel, want ook in Moskou geeft hij zich met graagte over aan de talrijke oppervlakkige verleidingen die de stad hem te bieden heeft, waardoor van zelfreflectie weinig tot niets terechtkomt. Dit verandert wanneer hij een Moskouse dame ontmoet, op wie hij halsoverkop verliefd wordt en voor wie hij grote bewondering koestert. Zij kiest echter voor haar carrière en laat hem, nog voordat de liefde kan ontluiken, in eenzaamheid achter.
In plaats van antwoorden te vinden, stapelen de vragen zich op, waarop hij beslist te vertrekken naar onbekendere oorden: langs de Wolga, via boeddhistisch Kalmoekkië, islamitisch Dagestan en Tsjetsjenië naar Georgië, Armenië en het door geen enkele andere natie erkende staatje Nagorno-Karabach. Tal van Russinnen en een enkele Rus nemen hem op sleeptouw door hun achtertuin en tonen hem de grote variëteit van dit immense land. Hoe verschillend de achtergronden van deze personages mogen zijn, allen zijn goeddeels tevreden met zichzelf, bescheiden, traditioneel in hun denkbeelden, koesteren liefde voor hun eigen stukje aarde en laten hem op hun manier inzien waar het in dit leven om draait.
De drang naar de grote stad doet hem desondanks terugkeren naar Moskou, waar hij in een gecompliceerde relatie belandt met een wereldburger zonder wereldse denkbeelden, waarin liefde, onbegrip en haat elkaar met onregelmatige tussenpozen afwisselen. Zich bijtijds realiserend dat deze verhouding gedoemd is te mislukken, besluit hij wederom zijn biezen te pakken en andere delen van de voormalige Sovjetunie te bezoeken: de wilde bergen van de Pamir, Noersoeltan de nieuwbakken hoofdstad van Kazachstan, het Russische Verre Oosten, het Bajkalmeer en Toeva, de Russische variant op Mongolië. Op Olchon, het grootste eiland in het Bajkalmeer, ontmoet hij Ksusha, een jong, Russisch spiegelbeeld van hemzelf, die met lood in haar schoenen terug naar huis reist. Zij is er wel in geslaagd, tijdens haar verblijf in het buitenland, antwoorden te vinden op de reden van haar vertrek. Wanneer hij samen met haar de Oudgelovigen Ekaterina en Pavel bezoekt in Erzhey, een gehucht in een ontoegankelijke uithoek van Siberië, vindt hij eindelijk zelf het antwoord hoe om te gaan met de alledaagse werkelijkheid.

DE WEG NAAR ERZHEY, HOOFDSTUK 1

Pas toen de trein stil stond op het station van Brest sprak ik hem aan, tot dat moment hadden we al die uren zwijgzaam tegenover elkaar gezeten. In gedachten verzonken staarde hij langdurig uit het raam de donkere nacht in, of blikte met holle ogen in het luchtledige. Een enkele keer glimlachte hij, vaker keek hij bedroefd of zorgelijk. Ik wilde hem vragen naar het waarom, al voelde ik dat het overbodig was. Zonder precies te weten wat zich in zijn hoofd afspeelde, kende ik immers het antwoord al. Zijn gelaatstuitdrukkingen waren als een spiegel van mijn eigen gedachten, die bij voortduring heen en weer zwiepten tussen weemoed en het onbestendige gevoel dat past bij nieuwe avonturen.
‘Mag ik een sigaret van je roken’, vroeg ik aan hem, naar het pakje wijzend dat sinds het begin van de reis onaangeroerd op het tafeltje lag.
Hij knikte en zei: ‘Laten we samen roken.’
Buiten op het perron vervolgde hij: ‘Armeense sigaretten’, terwijl hij mij een dun, zwart exemplaar overhandigde. Gretig inhaleerde ik de verstikkende rook en blies de giftige dampen de koude Wit-Russische nacht in. Met elke trek leken mijn emoties aan scherpheid in te boeten, alsof iemand ze bedekte met een warme deken. Ik vroeg een tweede, waarop hij me het hele pakje overhandigde met de woorden: ‘Hou maar, ik heb genoeg.’
Zo werden we vrienden, al wisten we beiden dat onze vriendschap slechts tot het station van Minsk zou duren. Daar, antwoordde ik op zijn vraag over het doel van mijn reis, zou ik uit de trein stappen om een halve dag door de Wit-Russische hoofdstad te dwalen, terwijl hij zijn reis zou voortzetten naar Moskou, en vervolgens naar Grozny, nog eens een slordige vijfendertig treinuren zuidelijker.
Terug in onze coupé verwoordt Abbas, zoals hij zich inmiddels heeft voorgesteld, in steenkolen Duits zijn emoties die ik eerder op zijn gezicht meende te hebben gelezen.
‘In 1995 ben ik uit Tsjetsjenië gevlucht, weg van de wreedheden die werden begaan door het Russische leger en de voortdurende lokroep van de vrijheidsstrijders mij bij hen aan te sluiten. Ik wilde wel vechten, al ging iedereen die vocht dood, maar mijn moeder smeekte me te vertrekken naar een veiliger plek. Na vele omzwervingen belandde ik uiteindelijk in Duitsland, waar ik een verblijfsvergunning kreeg en werk vond als bouwvakker. Mijn land werd in puin geschoten, en ik bouwde aan huizen in Duitsland. Vooral in het begin vond ik dat moeilijk en heb ik vaak op het punt gestaan terug te keren. Hoe kon ik helpen een vreemd land op te bouwen op het moment dat mijn eigen Grozny werd weggevaagd door Russische bommen?’
Even lijken zijn gedachten af te dwalen naar elders, vrijwel meteen pakt hij de draad weer op:
‘Het leven is goed in Duitsland, alles werkt naar behoren, de straten zijn schoon en ik verdiende er zeer behoorlijk. Maar de mensen zijn koud, afstandelijk en erg op zichzelf.’
Kalte Menschen, noemde hij de Duitsers. Het klonk onheilspellend.

DE WEG NAAR ERZHEY, HOOFDSTUK 22

Bij terugkeer in Moskou duwde een heerschap mij een pamflet in mijn handen. In koeienletters stond erop gedrukt:
‘Speed Dating in Club B2’
Lieveheerjezus, dacht ik, kan zoiets bestaan in tijden van Tinder en ander virtueel geflirt? In iets kleinere letters las ik dat de doelgroep bestaat uit mooie en jonge vrouwen tussen 23 en 40 jaar, en succesvolle mannen tussen 35 en 49 jaar. Tegen betaling van duizend roebels zou ik donderdag aanstaande kunnen deelnemen aan dit evenement.
Irina, de gastvrouw van de avond, ziet er adembenemend uit in haar flonkerende gele baljurk.
‘Wat een sensationeel mooie vrouw’, fluister ik mijn buurman, een Zwitserse bankier gekleed in een verkreukeld linnen pak, met wie ik in afwachting op het officiële begin van de avond een obligaat gesprekje voerde over werk en Moskou, in zijn oor.
‘Zie je die ideale gelaatstrekken?’
De bankier kijkt verschrikt opzij, alsof mijn opmerking hem doet ontwaken uit een natte droom, houdt bezwerend een wijsvinger voor zijn lippen en richt zijn aandacht onverlet op Irina. Als zij het voorland is van de dames, voorlopig onzichtbaar weggemoffeld aan de andere kant van een gordijn, die ik vanavond zal ontmoeten dan gaat deze erg plezierig worden, gniffel ik in mezelf.
Irina babbelt over zeven minuten sessies, een belletje dat zal rinkelen, mannen die geacht worden zich als jagers van de ene vrouw naar de andere te verplaatsen, vrouwen die op hun stoel kunnen blijven zitten en benadrukt meerdere keren dat het vooral leuk en gezellig moet zijn.
‘Vergeet niet aan het einde van iedere zeven minuten een ‘JA’ of een ‘NEE’ op je scoreformulier in te vullen. Van al je matches ontvang je binnen 24 uur een telefoonnummer en emailadres van ons’, besluit ze haar betoog.
Een dikbuikige Rus met een cowboyhoed op en kleurrijke bretels die zijn kakibroek op zijn plek moeten houden steekt zijn vinger in de lucht en vraagt: ’Wil je met mij uit?’
‘Nee’, antwoordt ze beslist en met een geforceerde glimlach, ‘ik doe niet mee, ik ben slechts de hoeder van de tijd.’

Jong zijn ze inderdaad, de vrouwen, al is niemand genegen haar leeftijd te geven.
‘Dit is een flagrante schending van de vrouwenrechten’, mopperde ene Elena, toen ik haar vroeg hoe jong ze was. Vervolgens keek ze een minuut of vijf stuurs voor zich uit, zonder nog een woord met mij te wisselen. Beiden werden we uit ons zwijgend lijden verlost toen het belletje klingelde, ten teken dat de sessie tot een einde was gekomen.
‘De dames nemen het nogal serieus’, fluisterde ik in het voorbijgaan tot de bankier, ‘drie keer was de eerste vraag wat voor werk ik doe.’
‘Het deert mij niet’, antwoordde hij plechtstatig, ‘ik praat graag over mijn werk.’
‘Hi, dame nummer vier’, zeg ik oneerbiedig tegen Oksana, zoals op haar naambordje staat, ‘jij ziet er anders uit. Kom je uit China?’
Haar gele huid glinstert goud in het kunstlicht.
‘Nee’, antwoordt ze in het Engels, ‘ik ben een wereldburger.’
Ze heeft een rond gezicht met, zeker voor een Chinese, grote ogen. De wortels van haar halflange geblondeerde haren geven de originele donkerbruine kleur prijs. Haar strakke zwarte kledij accentueert haar weldadige lichaamsvormen. Onbewust dwalen mijn ogen af naar haar ferme borsten, waarop zij, gelet op het diepe decolleté, graag de aandacht vestigt. Niet blijven staren, spreek ik mezelf in gedachten bestraffend toe, dat is vast onbeschofter dan vragen naar de leeftijd van een dame.

DE WEG NAAR ERZHEY, HOOFDSTUK 28

Het stadion van FK Loetsj-Energia Vladivostok, de plaatselijke voetbaltrots, ziet er op deze februaridag troosteloos en rommelig uit. Het speelveld is bedekt onder een flinke laag sneeuw en ijs. De twee tribunes langs de lange zijden van het veld ogen vervallen en verwaarloosd, een fikse lik verf is het minimale waarop ze recht hebben. Een eenzame terreinknecht sleept planken, stenen en ander bouwmateriaal van her naar der, misschien een eerste aanzet om de gehele mikmak op te kalefateren of de leegtes achter de doelen op te vullen met tribunes?
Bij de ingang zie ik een affiche van wat waarschijnlijk de laatste thuiswedstrijd is geweest: FK Loetsj-Energia versus Tjoemen, een stad in Siberië, een slordige zevenduizend kilometer westwaarts. Niemand heeft de moeite genomen alvast een plakkaat op te hangen waarop de eerstkomende thuiswedstrijd staat aangekondigd. Alsof niemand weet of FK Loetsj de lange winterstop überhaupt zal overleven.
De terreinknecht heeft me door de omheining zien turen en loopt met grote stappen in mijn richting. Hij trekt aan een ijzeren hek, dat knarsend opengaat.
‘Kom binnen’, nodigt hij me uit, ‘ik zal je rondleiden.’
Hij lijkt nauwelijks verrast een vreemdeling in dit stadion te mogen begroeten en steekt meteen van wal.
‘Tegenwoordig vertoeven we op het tweede Russische niveau, waar we troosteloos in de middenmoot bivakkeren. Wat een verschil met tien jaar geleden, toen we in de hoogste divisie speelden. Destijds waren we een echte reuzendoder en dit aftandse stadionnetje, waar de kille oceaanwind vrij spel heeft, een onneembare vesting. Dit was de uitwedstrijd waarover alle Moskouse ploegen en het Peterburgse Zenit het hele jaar met klotsende oksels spraken. Niet alleen vanwege de meer dan tien uur durende vliegreis, bovenal omdat zij wisten dat onze spelers zich negentig minuten lang als hongerige wolven op hun gejetlagde lichamen en geesten zouden storten.’
‘Weet je wat die arrogante keeper van CSKA Moskou verzuchtte, nadat zijn team met vier tegen nul was afgedroogd?’, stelt hij een retorische vraag.
‘Dat wat hem betreft de uitwedstrijd in Vladivostok zou moeten worden geschrapt. Laat ze in de Japanse J-league gaan spelen, was zijn commentaar’, geeft hij zelf het antwoord.
‘Qua logistiek geen slecht idee, aangezien Japan slechts een uur vliegen verwijderd is vanaf Vladivostok’, opper ik.
‘Die keeper mag niet klagen, hij moet eens per seizoen die lange reis naar hier maken. Het zijn onze jongens, die mogen mopperen over vlieguren en tijdzones. Zij reizen om de week vanuit Vladivostok naar elders in Rusland. Dit seizoen, onder andere, drie keer naar Moskou, twee keer naar Sint Petersburg en één keer naar Kaliningrad, de Russische exclave vlakbij Polen. Zelfs voor de derby van het Oosten, tegen SKA Khabarovsk, moeten wij nog zevenhonderdvijftig kilometer reizen.’

 

OVER DE AUTEUR

Abraham Hulzebos, de schrijverZo’n vijftig jaar geleden werd ik geboren in het oost-Groningse Oude Pekela, alwaar ik de eerste achttien jaar van mijn leven doorbracht op een boerderij, gelegen buiten het dorp in absoluut niemandsland. De traditionele normen en waarden van mijn ouders, voornamelijk gebaseerd op het gereformeerde geloof dat zij aanhingen, vormden de basis van de opvoeding die ik kreeg. Mijn vader placht te zeggen: ‘die ‘rooien’ (waarmee hij de links stemmende meerderheid in het dorp bedoelde) zijn niet te vertrouwen, mijdt ze.’ Hij voegde de daad bij zijn woord, keerde ze de rug toe en verwachtte van mij hetzelfde.
Jeugdige nieuwsgierigheid en onvermijdelijke terloopse ontmoetingen met die ‘anderen’, maakten dat ik me al op jonge leeftijd realiseerde dat de opvattingen van mijn ouders tamelijk rigide waren. Ik wilde weten wat zich daar in het dorp afspeelde en me niet afzonderen van de alledaagse werkelijkheid. Dit was, realiseerde ik mij later, de eerste keer dat ik op een onbekend pad naar een onbekende bestemming zocht. Sindsdien ben ik hiermee niet opgehouden want al snel besefte ik me dat het dorp, hoe werelds ook vergeleken met het coconachtige wereldbeeld van mijn ouders, niet meer was dan een minuscuul vlekje op deze aarde.
Op mijn achttiende besloot ik te vertrekken en mijn heil te zoeken in Groningen, wat ik ook nu nog beschouw als een van de beste beslissingen uit mijn leven. Hier gingen de poorten der nieuwsgierigheid definitief wagenwijd open en was ik nauwelijks te stoppen in mijn zoektocht naar meer onbekende paden. Vele jaren lang combineerde ik studie – en later werk – met reizen naar elders. Met name India had in die periode een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij, vooral omdat de manier van leven aldaar al mijn houvast definitief richting filistijnen deed verdwijnen.
Uiteindelijk keerde ik ook Groningen de rug toe en zocht mijn heil in Brussel, waar ik bij de Europese Commissie een interessante, want internationale, baan vond. Toch bleek dit niet genoeg, omdat ik me realiseerde dat de wereld der Europese Instellingen uiteindelijk voornamelijk is gericht op behoud, het mijden van risico en stilstand. Ik wilde meer en dankzij een toevallig treffen in een Brusselse discotheek met een Russische dame uit Moskou opende zich een volkomen nieuwe wereld voor mij. Lang slaagde ik erin, mede dankzij de oprichting van mijn eigen online reisbureau, het werk bij de Europese Commissie te combineren met talrijke ontdekkingstochten door het fenomenale Rusland. Tot april 2018, toen ik besliste de Europese zekerheid in mijn leven definitief op te geven voor een ongewis avontuur, waarin het schrijven van boeken en artikelen over Rusland de hoofdrol speelt.

Abraham Hulzebos

 

Titel

De Weg naar Erzhey

Auteur

Abraham Hulzebos

Uitgever

 

ISBN

 

Jaar van uitgifte

2019

Aantal pagina's

290

Verkoopprijs

€ 20

DE WEG NAAR ERZHEY

  • Ja, ik wil dit boek. Verkoopprijs € 20. Plezier voor € 40.